Verstandelijke handicap

Ad en ik zaten met Max en zijn partner Lars op het terras van hun stamkroeg, De Bagpipes. Hoewel het een mooie zonnige dag was zaten wij in de schaduw van het flatgebouw dat naast het café staat. De tafels waren van oud hout gemaakt met de restjes van een oude witte verflaag er nog op. De planken van het tafelblad waren glad geschuurd. Ad en ik wilden van de eerst warme zondagmiddag van het jaar profiteren. Lekker met een bier of wijntje op een terras zitten, maar ik wilde ook met Max en Lars spreken. Even in de schaduw dus.

Max en Lars hebben allebei een lichte verstandelijke beperking maar als je met hen praat valt dat niet snel op. Verstandelijke handicap is een breed concept met veel gradaties binnen het kader van verstandelijke beperking. Max, die een half meter langer dan Lars is, is rustig en ontspannen. Lars is meer actief en druk. Ze zijn boven de 50 en zijn al samen zo lang als ik hen ken. Terwijl Lars even weg van de tafel was vroeg ik aan Max hoe ze elkaar hebben ontmoet. Meestal zijn Lars en Max onafscheidelijk dus de  kans om met Max alleen te spreken komt niet vaak voor. Van de twee is Lars de meeste spraakzame.

“Hoe heb je Lars ontmoet Max?”, vroeg ik.

  Max vertelde mij dat hij bij een groep in Den Haag zat en Lars voor de eerste keer bij die groep kwam. Max zei niet dat het een groep voor verstandelijke gehandicapten was, maar hij laat het door zijn bescheiden blik doorschemeren en na een momentje zei hij gewoon, “OOXO”. Hij sprak het uit als “ook zo”.

Max zei, “Ik keek naar hem toen hij de zaal binnenliep en begon tegen hem te praten.” Zijn stem werd zachter toen hij aan de herinnering dacht. “En wij zijn vanaf die tijd samen.” Max had een kleine glimlach rond zijn lippen.

“Kom je uit Den Haag” vroeg ik.

“Ik komt uit mijn moeder”, en hij begon binnensmonds te lachen.

Op dat moment keerde Lars terug en hij nam zijn plaats op zijn kruk.

“Waarom lach je?”, vroeg Lars aan Max.

Max wees naar mij. “Hij vroeg waar ik vandaan kwam en ik zei ‘uit mijn moeder’”, zei Max met een brede glimlach.

Lars schoot in de lach en Max begon ook net zo hard te lachen. Toen lachten ze samen nog harder.

Een oude grap, maar voor Max en Lars blijft hij nieuw.

“Hoe lang nu?”, vroeg ik.

“Acht jaar,” zei Max.

Twee dagen later zat ik met Max bij een bijeenkomst met twee mannen die ook een verstandelijke beperking hebben. Max is de vaste deelnemer en degene die contact houdt met de andere vaste medewerkers van het wijkcentrum.

Peter en Bart zijn meestal bij de bijeenkomsten aanwezig. Bart is een knappe dertiger met opvallend mooie blauwe ogen. Hij vertelde me dat hij autistisch is en tot hij zestien was stemmen in zijn hoofd hoorde. Hij heeft nooit een vak kunnen leren en heeft nog nooit een baan gehad. Hij hoopt op een baan, maar na zoveel teleurstellingen in zijn leven is hij niet enthousiast over zijn kansen dat hij een baan “in administratie” zal kunnen krijgen. Zijn begeleider zal hem over een week of drie vertellen of de baan doorgaat of niet.

Peter is meer optimistisch. Hij is ergens in de vijftig en kijkt er naar uit om in december een partnerschap met zijn vriend te sluiten. Peter heeft ook blauwe ogen, maar de pupillen staan ver uit elkaar in de hoekjes van de oogkassen. Hij droeg een bril met een blauw montuur en ik vroeg mij af hoe zijn ogen er uit zien zonder bril. Hij heeft zwart dun krullend haar, een bleke huid en is aan de dikke kant.

“Heb je broers of zussen, Peter?” vroeg ik.

“Ik heb een zus en ik heb een vriend. Ik kom uit België en mijn vriend ook. Hij heet Jordan.”

“Wonen jullie samen?” vroeg ik.

“Nee, ik leef vrij maar Jordan woont gesloten.” Ik wist niet wat hij bedoelde en keek naar Max. Max geeft mij een snelle blik.

Max zei “hij heeft altijd begeleiding.”

“Ja, maar hij heeft dat niet nodig. Het is onrechtvaardig wat ze doen. En ze weten het want ze kunnen geen antwoorden aan mij geven.”

“Hij heeft zichzelf verwond. Daarom heeft hij begeleiding.”, beantwoord Max.

Peter keek mij aan. “Het probleem is, is dat toen ik zei dat ik Jordan als mijn partner wil nemen ze niet wisten wat ze moesten doen. Ze zeiden dat Jordan niet uit het gesloten deel kan komen. Ik heb gezegd dat ik dat weet, maar ik wil in het gesloten deel wonen om bij Jordan te zijn. Het is nooit gebeurd dat een vrije man met een gesloten man wil wonen en er is dus geen regeling.” Peter leek eerst uitgepraat maar ging verder.

“Ik heb een zus en een moeder. Mijn vader is overleden” zei hij. “Mijn vader en mijn zus, zij is ook chinees, zijn aftreksels van de duivel. Mijn vader is overleden maar mijn zus leeft nog.” zei Peter met een minachtende stem. “Mijn moeder had het ook heel zwaar met mijn vader. Gelukkig is hij overleden”. De opluchting in zijn stem is bijna tastbaar. “Maar mijn zus is een duivel net als hij was.”

“Heb je ooit contact met jouw zus?” vroeg ik.

“Al jaren niet. Toen mijn moeder op haar sterfbed lag kwam ze één keer langs. Ik heb haar nooit meer gezien. Zij is echt een aftreksel van de duivel.” Zijn vuisten waren gebald. Iedereen werd even stil.

“Heb jij broers of zussen, Bart?” vroeg ik.

“Ja. Ik heb drie halfbroers en een halfzus.”

“Ben je jonger of ouder dan zij?”, vroeg ik.

“Die zijn van mijn moeder en haar eerste man en ze zijn allemaal ouder dan ik.”

“O, dus je bent de baby van de familie?” zei ik vriendelijk. Bart keek mij niet begrijpend aan.

“Je bent de jongste van de familie, bedoel ik.”

“Ja.” zei hij.

“Komen ze bij jou op bezoek?”

“Niet vaak. Ze kunnen niet met mij praten. Als ik met hun probeer te praten kijken ze mij aan met lege gezichten en dan uiteindelijk als ik klaar ben zeggen ze, ‘Ja’, en knikken hun hoofden. En ze kunnen niet begrijpen waarom ik…” Ik wist dat hij ‘homo’ wil zeggen maar hij maakte zijn zin niet af.

“Heb je vrienden?” vroeg ik.

“Ja. Ik heb twee, drie vrienden. Twee van hen zie ik niet zoveel maar één vriend komt vaak langs. Zij en ik gaan dingen doen, wandelen in het park of zo.” Het viel mij op dat hij het woord “vriendin” niet gebruikte.

“Wij moeten even pauzeren.” zei Max. “Mensen willen naar buiten gaan om te roken.”

We stonden buiten in de hoofdingang van het wijkcentrum terwijl Peter en Bart hun sigaretten rookten. Max begon te vertellen over toen hij als  vrijwilliger bij de dierenambulance werkte. “Ooit moest ik de hond van de koningin halen. Koningin Beatrix, niet Maxima. Ik reed tot voor de poort van het paleis en een marechaussee kwam naar buiten en liet mij binnen. Hij liep met mij naar een deur en een andere marechaussee kwam naar buiten met de hond aan een riem. Hij gaf hem aan de andere marechaussee en die gaf de hond aan mij bij de poort. ‘s Middags kwam ik terug met de hond en een marechaussee kwam de hond halen en nam hem weer mee naar binnen.”

“Je hebt de Koningin dus niet ontmoet” zei ik.

“Nee, maar het was heel vreemd om de hond aan een marechaussee te geven en dat hij hem weer aan een andere gaf.

Peter en Bart waren klaar met hun sigaretten en wij gingen allemaal terug naar binnen.

“Waar komt jouw vriend Jordan vandaan? vroeg ik.

“Kiekoet,” zei Peter. “In België. Ooooo wat een plaats was dat. Ik kom uit een streek verderop. Het was slecht maar niet zo slecht als Kiekoet. Echt tuig dat daar woont.” Hij maakte een gebaar alsof hij een mes in zijn hand had. “Zijn familie waren trekkers.” zei hij. “Wat je wat ‘trekker’ betekent? Weet je het, Bart?” vroeg Peter. Bart zei dat hij het niet wist. “Weet je wat trekker betekent, Max?” vroeg hij aan Max maar nu met meer enthousiasme in zijn stem. Peter was aan het  genieten van deze kwis.

“En jij, weet jij wat het betekent?” vroeg hij aan mij. “Nee” zei ik. “Kleine boeren misschien?” “Nee” zei Peter. “Weet niemand wat een trekker is?” zei Peter, met een quasi verbaasde toon in zijn stem.

“Een ‘trekker’ is een zigeuner!” zei Peter. “Jordan komt uit een trekkerfamilie. Toen hij drie jaar oud was hebben ze hem van zijn biologische familie weggenomen. Hij heeft hen nooit meer gezien.”

“Heeft Jordan ooit contact met zijn familie? vroeg ik. “Hij heeft een zus maar ik heb haar nooit ontmoet.” zei Peter.

“Hoe heb je kennis gemaakt met Jordan?” vroeg ik.

“Bij een evenement op de afdeling.” Peter gaf geen details verder. Hij zat met zijn handen op zijn knieën en keek naar de vloer.

Bart zat stil in zijn stoel. “Heb je hobbies of zo, Bart?” vroeg ik.

“Hobbies, nee, ik heb structuur nodig en ik kan niets doen zonder structuur.” zei Bart. Zijn gevoel van hulpeloosheid kwam duidelijk over.

“Ik heb met psychologen gesproken maar het helpt niet. Een psychiater sprak ooit eens tegen mij en hij heeft mij de hele tijd recht in de ogen gekeken. Na een poos ik kon ik er niet meer tegen. Hij maakte mij heel zenuwachtig. Ik deed mijn handen voor mijn gezicht. Ik begon bijna te huilen en ik schudde van de zenuwen. Hij bleef kijken naar mij. Hij heeft tegen de andere psychiaters verteld dat ze niets voor me konden doen. Dat ik helemaal gestoord was. Eindelijk kreeg ik de kans om aan hen te vertellen wat er is gebeurd, maar ja, het was al te laat. Ik zie hen niet meer.”  Bart leunde naar achteren in zijn stoel. Hij had niets meer te zeggen.

Ik had niets meer te vragen.

Over tomc49

I enjoy new things, experiences and people. I also enjoy creative writing.
Dit bericht werd geplaatst in gay verhalen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s